zondag 26 februari 2012

Mijn fijnste loop


Mijn fijnste loop is:

... op het bedrijventerrein vlak bij mijn huis. Op de snelweg naast mijn route rijden mensen waarvan ik fantaseer dat zij naar hun werk moeten terwijl ik daar lekker kan lopen. Bofferd-ik.

... als het zes graden vriest en er geen gure wind waait. De eerste kilometer heb ik de neiging om mijn fleece hoofdband voor mijn neus en mond te doen omdat het zo koud ademen is. De tweede kilometer begint het te wennen, de derde is al lekker en vanaf dat punt is het ronduit genieten.



... op een dag die belooft warm te worden en dat ik dan al om zeven uur, half acht buiten sta, nog voordat het té warm wordt. (En ik ben dus geen ochtendmens, hè.)


... op die dag dat ik liever op de bank wil blijven hangen. Geen zin! Niet in naar buiten gaan, laat staan in lopen. Bah! Bahbahbahbah... BAH! Dan doe ik toch wat ik vind dat ik moet doen (ondertussen mezelf uitscheldend) en eenmaal buiten is het zal-je-altijd-zien heerlijk.


... vóór het werk. Ná het werk. Op mijn vrije dag of in het weekend. Na een vergadering, een cursus. Als ik een lichte hoofdpijn heb.


... als het net droog is tussen minstens twee stortregens in. Of in de motregen! Zo’n fijne motregen is de beste airco die ik me tijdens het lopen kan voorstellen. (Alleen die bril....)



... in het bos. Ik hoef maar tien minuutjes in de auto om er te komen. Héérlijk is het daar (ondanks de hellingen...).


... als ik lopers tegenkom, die overduidelijk veel soepeler en gemakkelijker en verder en sneller lopen dan ik, en die mij groeten zodat ik het gevoel heb bij ze te horen. Als ik terugzwaai roep ik er altijd zo nonchalant mogelijk "Hallo!" bij, in de hoop dat me dat zonder al teveel hijgen lukt.


... terwijl de zon opkomt. Of juist net ondergaat. Of ergens daar tussenin.

... op de beat van “Dancing in the street” van Bowie en Jagger, “Pump it” van The Black Eyed Peas, “Footloose” van Kenny Loggins, “Get over it” van The Eagles, “Marchin’ on” van OneRepublic... Alles van mijn looplijst eigenlijk ;)


... als het de dag ervoor al tintelde onder mijn voeten en in mijn hoofd: morgen mág ik weer! (Mijn lichaam stelt het zeer op prijs dat ik me aan rustdagen houd en mijn gevoel legt zich daarbij neer.)

... als er een stevige wind staat. Een stevige tégenwind. Al mijn koppigheid mag er dan ongestraft uit: ikzalniètstoppen-ikzalniétstoppen! Voorover gebogen ploeter ik voort, trots op elke stap die ik kan zetten. En als ik dan eindelijk die wind mee heb, is het bijna vliegen met de meest idiote grijns op mijn gezicht.


Mijn fijnste loop is die van morgen. En die daarná. En dáár weer na...

donderdag 23 februari 2012

Negentig jaar


Ze lijkt kleiner en kleiner te worden, breekbaarder, kwetsbaarder. Te klein, te breekbaar, te kwetsbaar voor de wereld om haar heen.

Ze had nooit gedacht dat ze zo oud zou worden, zegt ze regelmatig en haar blik is de ene keer verbaasd en de andere keer vermoeid. Erg vermoeid.

Ze is de op een na jongste van negen en vandaag is ze ouder geworden dan haar broers en zusters ooit geworden zijn. Veel ouder dan mijn vader geworden is.

We hebben vandaag haar verjaardag gevierd. We hebben samen met haar gelachen en genoten, we hebben van de stralende jarige in ons midden genoten. We waren, stiekem, samen met haar verbaasd: dat wij deze verjaardag nog zouden vieren...

Verbaasd. Verrast. En heel, heel erg blij.

dinsdag 21 februari 2012

Brussel


Afgelopen weekend waren we in Brussel, Peter en ik. We wilden graag het Magritte Museum bezoeken, het Atomium bekijken en verder zouden we wel zien. We zouden het zèlf wel zien...

Het was me namelijk opgevallen dat de enthousiaste, bijna jaloerse, reacties die we kregen toen we naar Antwerpen gingen, deze keer uitbleven. Natuurlijk waren er mensen die er ook wel een paar daagjes tussenuit wilden, maar er waren ditmaal geen verzoekjes om in de koffer, desnoods de kofferbak, mee te mogen. Niet toen de naam Brussel viel.

Ik begrijp inmiddels waarom dat zo is. Brussel is geen stad die haar handen naar je uitsteekt. Niet zoals Antwerpen je kan verwelkomen.


Brussel vind ik een beetje als een wandeling in de vroeg-vroege lente. Je stapt naar buiten en je snuift de frisse lucht op, vervolgens kijk je om je heen en zie je dat het er niet zo zonnig uitziet als je had gedacht.

De temperatuur voelt wat minder zacht dan je had verwacht en gehoopt. De lekkere warme-zon-op-je-gezicht-momenten zijn er gelukkig wel maar je moet er voor door stukken die wat onbehaaglijk en zelfs kil aanvoelen.


Daar deed Brussel me aan denken. We hebben langs grauwe gebouwen en door dito straten over hakkenbrekende (en ook òntbrekende) klinkertjes gelopen, we zagen veel lelijke bouwputten en pleinen die om volle terrasjes schreeuwden maar die saai van leegheid waren. 


Maar we hebben ook mooie uitzichten en grappige doorkijkjes gezien.


Indrukwekkende gebouwen en een sprookjesachtig verlicht marktplein.




We hebben een paar fijne uren doorgebracht in het Magritte Museum.


En een overheerlijk kwartiertje in dat ene zaakje waar ze hun handgemaakte bonbons niet alleen verkopen, maar ook laten PROEVEN! (Als ik hieraan terugdenk, loopt het kwijl me weer door de mond...)


O, en het Atomium natuurlijk! Dat was echt de moeite waard! Vooral omdat we vreselijk boften met het weer. De twee dagen ervoor was het bewolkt en vlak voordat we kaartjes kochten begon het sneeuwen, maar toen we er naar binnen stapten, brak de zon door. En dat terwijl in de rest van Brussel het zichtbaar goot van de regen!







Brussel als een frisse wandeling dus. Met vergelijkbare plussen en minnen, maar net als tijdens zo’n frisse wandeling hebben we genoten deze dagen. En net als ná zo’n frisse wandeling was er bij thuiskomst dat heerlijk relaxte en voldane gevoel.

Het gevoel dat de tijd even heeft stil gestaan.

dinsdag 14 februari 2012

Dááág Winter


Hallo Winter,

U bent nu alweer een poosje in het land en ik heb er even behoefte aan om u een briefje te schrijven. Omdat het mogelijk is dat de inhoud van mijn verhaal u wat koud op uw dak valt (en geloof me, ik weet hoe naar dat is), heb ik op internet opgezocht hoe een dergelijke boodschap het beste overgebracht kan worden. Ik pak zulke dingen graag zorgvuldig en zo tactvol mogelijk aan. Op internet stond dat een slechtnieuwsgesprek uit minstens vijf stappen dient te bestaan. Stapt u mee?

De eerste stap luidt: vermijd koetjes en kalfjes en val meteen met de deur in huis. Echt waar. Het klinkt wat cru maar misschien moet u het maar vergelijken met een pleister en voorzichtige artsen enzo. Want mijn bericht aan u komt, zonder die koeien en kalveren, hierop neer:

Ik ben u zat! U kunt wel gaan!

Zo. Volgende stap...



Volgens de tweede stap moet ik nu uw emoties opvangen. Ik zou wel willen maar dat is een beetje lastig zo vanachter mijn toetsenbord; ik weet immers niet wat u nou voelt. Geen blijdschap, schat ik zo in. Heb ik u nou verdrietig gemaakt? Boos? Of zucht u nou wat vermoeid? Zo van: “Daar gaan we weer! Dat heeft Lente nou nóóit...” Ik stel voor dat ik deze stap dus oversla. Bij wijze van troost post ik hier wat foto’s waar u best goed op staat (al zeg ik het zelf).



Stap drie: argumenten uiteenzetten. Nou, hier komen ze. Mijn grootste argument is dat u vaak erg ongelegen komt en bovendien altijd te lang blijft hangen. Dat laatste vooral. Zonder gure wind, verraderlijke ijzel en sneeuw op ongelegen plekken, vind ik u wel te doen, maar mèt dat alles vind ik u niet bijster sympathiek. Dit geldt overigens niet alleen voor mij; ik spreek veel mensen die u dan ook een pijn in het zitvlak vinden. Mensen zonder winterbanden, mensen met een treinabonnement en zieke kinderen die zich snel vervelen, en mensen met een winterdepressie, om maar een paar te noemen.
Ik heb geen last van uw depressie, ik heb een ander, maar ook redelijk groot, probleem: u staat mij niet. Ik krijg een grauwe huid, statisch haar en een bijzonder onflatteus rode neus van u. (U staat alleen maar kleine kinderen en Doutzen Kroes goed.)


Stap vier houdt in het bespreken van oplossingen. Ook hierbij is het wat lastig dat wij niet echt tegenover elkaar zitten. U kunt dus alleen maar luisteren naar wat ik, zo redelijk mogelijk want ik ben maar een leek en een koukleum bovendien, heb proberen te bedenken.
Mijn oplossing, voorstel, is dat u op eerste kerstdag komt en meteen begint met sneeuwen. Bij voorkeur alleen op plekken waar niet gereden en/of gelopen hoeft te worden. Dit houdt u vervolgens een week of twee, vooruit drie mag ook, vol. Daar mag dan zo’n lekkere vrieskou gerust bij. Zo’n watje ben ik nou ook weer niet. Sterker nog: ik heb een paar keer hardgelopen bij zes graden onder nul en ik vond het heerlijk! Daarbij gun ik de schaatsliefhebbers ook hun lol. Echt, ik denk niet alleen aan mezelf. (Zeker niet nu ik snowboots en thermo-ondergoed heb.)
Kunt u hiermee uit de voeten?


Dan komen we nu bij de laatste stap: stap vijf, de afronding. Deze stap zou ik snel willen nemen. Snel en heel letterlijk ook. Dus: zullen we het hierbij dan maar afronden? Ik stop met mijn brief en u gaat weer weg. Met heel stille trom en zonder te kwakkelen graag. Oftewel zonder nog even te vriezen vlak na een regenbui en zonder zo’n nare temperatuur waardoor wij toch naar vrieskou gaan verlangen. Ja, ik ken uw streken! O, en bij dat liever-vandaag-dan-morgen-weggaan kunt u de deur wijd openlaten, hoor. Heel wijd. Zodat uw opvolger Lente er gemakkelijk door kan, met alle bagage van frisse ochtenden die langzaam maar zeker overgaan in aangename middagen, van prille lentebloemen, kleine eendenkuikentjes in de vijvers, steeds langer licht en heel veel zin in nieuwe dingen. (Ik kan niet geloven dat jullie familie van elkaar zijn!)

 
Laatste stap, eentje die niet bij de slechtnieuwsgesprekstappen stond maar die ik, beleefd als altijd, er toch bij wil hebben: bedanken en afscheid nemen.
Dus:

Dááág Winter! Bedankt nog voor de mooie plaatjes en de heerlijk frisse hardlooprondjes.
Dááág Winter, tot over lang! Tot over heel lang!

woensdag 1 februari 2012

Josje en Ingrid


Ik schreef al eens eerder over Wordfeud en de bekende en onbekende tegenstanders met wie ik het spelletje speel. Over hoe een paar van die onbekende tegenstanders van lieverlee vaste tegenspelers werden omdat we elkaar steeds weer opzoeken en over de kletspraatjes die wij tijdens onze spelletjes uitwisselen. Met twee van hen, Josje en Ingrid, werd dat kletsen steeds gezelliger. Gezelliger en ook vertrouwder en persoonlijker.

Inmiddels zijn we een paar maanden verder en Josje, Ingrid en ik hebben nog steeds bijna dagelijks even contact met elkaar. Het voorstel om een keertje bij elkaar te komen, om elkaar (zij mij en ik hen, Josje en Ingrid zijn namelijk zusjes) in het “echte leven”, in real life, te ontmoeten lag op een goed moment erg voor de hand. Dat vonden wij tenminste… Er waren wat mensen in onze omgeving die daar iets anders over dachten.

Eén zoon was wat verontwaardigd ongerust: hij werd altijd gewaarschuwd voorzichtig te zijn met contacten via internet en nou gingen zijn moeder en tante zomaar een avond op pad om zo’n vreemde op te zoeken! Wie garandeerde dat “die Syl” wel een vrouw was en geen vies, oud mannetje met, uh, rare neigingen?
Ik moet toegeven dat het een wat aparte gewaarwording was om aan de andere kant van de beeldvorming te staan maar het had vooral iets hilarisch. Peter, daarentegen, lachte wat korter. “Je hebt ze toch wel even gegoogle’d, hè?” was zijn vraag waar meer een dikke punt dan een vraagteken in te horen was en zijn wenkbrauwen konden nauwelijks hoger toen ik antwoordde dat ik hun achternamen niet eens wist. Hij schoot wel in de lach toen ik hem Ingrid’s geruststelling voor las: “Ik heb geen Facebook, geen Hyves en ook geen crimineel verleden. Sinds drie jaar ook niet meer actief in de vrouwenhandel.”

We hadden er met ons drietjes veel plezier over, Josje, Ingrid en ik. Over de verbaasde (“via internet??”), verontruste (“doe je wel voorzichtig??”) en, in een enkel geval, zelfs afkeurende (“had ik nooit van jou verwacht!!”) reacties, maar ook over onze afspraak die ergens ook niets voor ons was. Zo maar iemand (in mijn geval: iemandèn) ontmoeten die je alleen via internet kent... Best wel eng spannend! En toen werd het woensdagavond.

Ik stond, ruim op tijd, op de afgesproken parkeerplaats te wachten en uit te kijken naar een zwarte auto. Toen die aan kwam rijden sprongen er plotseling twee mannen uit, zij trokken mij de auto in, bonden mijn handen en voeten vast, en uren later werd ik ergens over de grens wakker. Vaag in de verte hoorde ik hoe er over mijn marktwaarde onderhandeld werd...

Nee, niet waar.
Helemaal niet waar.

Tussen het moment dat Josje en Ingrid vrolijk lachend uit hun zwarte auto stapten, en het moment dat wij weer van die parkeerplaats wegreden, zaten ruim drie uren van gezelligheid en warmte. Het was alsof we elkaar al jaren kenden, er was geen minuutje van ongemakkelijke stilte, van tja-hier-zitten-we-dan-en-wat-nu? We pakten gewoon de onderwerpen op die we via de Wordfeud-chatvensters hadden aangesneden en stelden vragen als “En hoe is het nou met...”. We vertelden nieuwe dingen en legden andere nog iets beter uit. Zij gaven cadeautjes en verzekerden mij dat het echt niet erg was dat ik niets voor hen had meegebracht. Ik nam de pakjes verrast aan en schaamde me toch. (Dit ga ik beslist goed maken, meiden!) We praatten en we lachten en we luisterden. We genoten! Van de avond, van elkaars gezelschap en ook van het feit dat we zomaar, toch wat tegen onze aard in en misschien toch lichtelijk onvoorzichtig, besloten hadden om iemand(en) die we alleen maar via internet kenden, te ontmoeten.

En dat is wèl waar.
Helemaal wèl waar.

Ja hè, Josje en Ingrid? Klopt helemaal, toch?
Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...