zondag 31 mei 2026

Wat lichter


Doof de sterren, ik hoef ze niet meer
Ontmantel de zon en haal de maan neer
Spoel de zee weg en gooi het bos plat
Want dit wordt toch helemaal nooit meer wat

Deze tekst las ik op het voorblad van een boek, de titel weet ik niet meer, ik heb het uiteindelijk niet uitgelezen. Het is een stukje uit het gedicht Begrafenisblues, van W.H. Auden. Er is lang een tijd geweest dat ik me er helemaal in kon vinden. En hoewel de glans er wel af is, en ook zal blijven, is het stukje bij beetje wat lichter om en in mij aan het worden.
De wanhoop en paniek zijn steeds meer naar de achtergrond aan het glijden.
Ik begin iets van grip te krijgen.
Ik durf weer dingen aan. Nieuwe dingen en ook, en die zijn vaak nog de moeilijkste, oude dingen. Oude dingen die wij altijd samen deden.

Dit is bepaald niet vanzelf gegaan, het was echt geen kwestie van enkel "de tijd die erover heen moest gaan". Ik heb er veel steun bij gehad (en nog). Lieve steun, praktische steun en ook professionele steun. Professionele steun in (o.a.) de vorm van traumatherapie en EMDR.
Dat was heel zwaar. Het voelde als het beest, mijn trauma's, in de bek kijken en ik kwam elke keer gesloopt en gemangeld van die sessies thuis.
Maar ik vond dat ik er doorheen moest, er dwars doorheen. De vreselijke gebeurtenissen die zo traumatisch waren dat zij mijn rouw blokkeerden moesten niet alleen maar vreselijk en traumatisch zijn. Zij horen bij wat er gebeurd is maar mogen niet meer zoveel angst en paniek oproepen dat ik niet bij de mooie herinneringen kan komen. Het heeft me heel veel gekost, alles wat ik in mij aan doorzettingsvermogen had. Doorzettingsvermogen en ook vertrouwen. Vertrouwen in mijn psycholoog en in mijn veerkracht. 
Ik ben elke keer heel bewust niet met de auto maar op de fiets naar therapie gegaan; het leek me niet verantwoord om met een tollend hoofd achter het stuur te zitten. Vaak liep ik na afloop naast mijn fiets om bij te komen terwijl de tranen over mijn wangen stroomden en heel vaak kon ik daarna bij mijn zusje terecht. Zij stond dan klaar met een knuffel, een kop thee en troostende soep.

Hoewel het lichter om mij heen aan het worden is, besef ik dat ik er nog lang niet ben. Al vraag ik me tegelijk af waar "er" is. Mijn verdriet, mijn missen van Peter, van alles wat we niet meer samen kunnen doen en delen, van onze toekomst samen - dat zal nooit over gaan. Dat zal altijd pijn blijven doen. Er zullen altijd momenten, dagen zijn waarop alles om mij heen somber voelt. Maar ik heb het geaccepteerd. Niet mijn verlies maar het feit dat mijn rouw altijd zal blijven en dat pijn erbij hoort. Het is de prijs voor het ongelooflijk mooie dat ik samen met Peet gehad heb. 

Heel lang kromp ik bijna in elkaar als mensen zeiden mij sterk en dapper te vinden. Sterk en dapper klopten totaal niet bij hoe ik mij voelde. Ik was niet sterk en dapper - ik was aan het overleven en ik vond dat ik geen keus had.
Nu besef ik dat ik wél keuzes had; ik had ook niks kunnen doen, ik had in bed kunnen blijven met mijn dekbed over mij heen getrokken. Ik had ook niet willen verhuizen en ik had ook kunnen zeggen dat ik (nog) geen psycholoog en traumatherapie wilde. Ik had ook voor niet-leven kunnen kiezen in plaats van óverleven. Maar ik koos anders.
Ik was aan het overleven, ja, en dat was dapper, toch. Want dapper-zijn is, zoals wij met name onze jongste altijd voorhielden, niet dat je alles durft maar dat je dat wat je eng vindt tóch doet. En god, wat waren (en zijn nog) er veel "enge" dingen! 

Sterk en dapper... toch ja.
Peter zou "Dat heb ik toch altijd gezegd, geloof je het nou een keer?" zeggen, hij zou mij vasthouden en kussen. 
In mijn hart en hoofd hoor ik nu zijn stem en voel ik zijn kus. 

De glans is eraf maar het is wat lichter aan het worden.







zondag 17 mei 2026

Vertrouwde aanrakingen


Liefste Peetje van mij,

Gisteren stond ik in een rij achter een man met jouw lengte en jouw postuur. Ik was wat moe en in mijzelf gekeerd en de kleur van zijn trui leek erg op die van een van jouw lievelingsvesten. Waarschijnlijk was het daarom dat ik opeens de bijna onbedwingbare neiging had om mijn gezicht tegen zijn rug aan te drukken. Bijna had ik, zoals ik ooit zo vaak deed, even tegen jou, tegen hem nu dus, aangeleund.
Bijna! Pfff, want stel je voor! De geur van zijn aftershave of deodorant was gelukkig zo doordringend en ook zo totaal vreemd, dat ik bijtijds tot zinnen kwam.

Van de vele, vele dingen die ik van jou mis is dat er een van. Een heel belangrijke. Even dat aanraken, even tegen elkaar aanleunen, jouw hand door mijn haren, mijn hand om jouw pols. 's Ochtendsvroeg tegen jou aan draaien en dat jij dan nog half in slaap, bijna gedachteloos, je arm om mij heen slaat. Heel gewone, heel vertrouwde gebaren. Mijn gezicht tegen jouw borst, jouw kin op mijn hoofd.
"Wat ruik je toch lekker."
"Ik houd van jou, Sylfje."

In coronatijd was er de term "huidhonger". Ik begreep wat ermee bedoeld werd maar vond het wat plat klinken, wat klinisch en kaal voor iets wat heel menselijk en liefdevol is.
Bij wat ik nu ook zo erg mis horen zachtere, mooiere woorden. Als er al woorden voor zijn - als die de lading al kunnen dekken.
Ik mis ons vanzelfsprekende aanraken van elkaar. Thuis, tijdens een wandeling, aan een tafeltje in een restaurantje, in een rij voor een kassa. Soms maar heel even maar altijd o zo vertrouwd. 
Ik mis de liefde en tederheid die ik, die wij beiden daarbij voelden. Onze verbondenheid.

Het is geen honger. Het is veel meer dan alleen een lichamelijke behoefte. 
Het is het zo erg missen van jou, jouw liefde, jouw nabijheid, van mijn hoofd tegen jouw lievelingsvest, jouw geur in mijn neus.

"Wat ruik je toch lekker."
"Ik houd van jou, Sylfje."

En ik van jou, Peetje. Ik van jou.





Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...