Liefste Peetje,
Jij was mijn veilige plek, bij jou kon ik altijd terecht als ik het moeilijk had, het even niet meer wist. Bij jou kon ik uithuilen, van me af praten, stil zijn. Jij kon mij geruststellen, jij kon mij troosten.
Mijn verhalen kon ik altijd bij jou kwijt. De leuke dingen werden altijd nog leuker als ik ze aan jou vertelde. De vervelende minder vervelend. De moeilijke minder moeilijk omdat jij ze kon relativeren en als dat toch niet lukte, dan gingen de scherpe kanten eraf enkel al door het delen.
Bij jou was het altijd fijn thuiskomen. Jouw sleutel in het slot horen was het fijnste moment van de dag.
"Hier hoor ik," heb ik zo vaak gezegd als ik in je armen kroop en dan bromde je instemmend ergens in mijn haar. Samen waren wij heel.
Een leven zonder jou was onvoorstelbaar.
En toen moest ik aanzien hoe verbijsterd jij reageerde op die onverwachte diagnose. Hoe jij naar die arts keek en daarna meteen naar mij en je hand naar mij uitstak.
Ik moest aanzien hoeveel pijn jij had, hoe jij steeds verder weggleed. Steeds verder weg van het leven, van ons leven.
En toen moest ik beseffen dat het onvoorstelbare werkelijkheid ging worden.
Ik moest het beseffen maar ik kon het niet. Ik wilde het niet, ik kon het niet.
Dat hadden we ons nooit kunnen voorstellen, hè? Dat jouw leven, ons leven samen, op die manier en zo abrupt zou eindigen.
Dat we nooit, nooit meer samen nieuwe plannen zouden kunnen maken, dat er geen nieuwe herinneringen meer bij zouden komen, dat er geen reactie meer zou komen op "O, en weet je nog toen we....".
Dat we nooit, nooit meer samen nieuwe plannen zouden kunnen maken, dat er geen nieuwe herinneringen meer bij zouden komen, dat er geen reactie meer zou komen op "O, en weet je nog toen we....".
Dat ik je nu alleen nog in mijn hart kan dragen in plaats van dat je naast mij staat.
Dat ik jouw stem, jouw lach alleen nog kan voelen en niet meer kan horen.
Dat ik jouw stem, jouw lach alleen nog kan voelen en niet meer kan horen.
Hoe hadden we ons ooit kunnen voorstellen dat ik mijn vingers over jouw foto zou laten gaan omdat ik zo, zo graag de stoppels op jouw wangen en je zachte haar wil voelen maar alleen het glas voel. Glas en verdriet, heel veel verdriet.
Hoe hadden we ons dat onvoorstelbare ooit kunnen voorstellen?
Ik mis je.
Ik mis je, ik mis je.
Ik heb het ontelbare keren gezegd, hardop en onhoorbaar. Ik heb het zo vaak geschreven. En ik zal dat blijven doen.
Maar het is meer dan missen alleen. In het Frans en het Duits klopt het zoveel beter: tu me manques, du fehlst mir. Jij ontbreekt mij. Ik ben niet meer heel.
Nu moet ik uitvinden wie ik ben, hoe ik kan zijn zonder jou naast mij. Nu moet ik in mijn eentje heel worden. In mijn eentje, zonder jou. Niet wéér heel maar ánders heel, zo goed als heel.
Zo goed als, want jij zal mij altijd ontbreken.
Jij ontbreekt mij, Peetje.
Elk moment van de dag.
Vandaag al anderhalf jaar.
Jij ontbreekt mij zo.




