dinsdag 7 juli 2026

Zonder Peter op Ameland

 


Ameland was...
Ameland was anders. Natuurlijk was Ameland anders, zo zonder Peter. Ik wist het en ik had me erop voorbereid. Zo goed als ik me daarop kon voorbereiden tenminste. Ik wist dat er heel veel herinneringen op mij af zouden komen, mooie herinneringen die daarom ook pijnlijk zullen zijn - ik wist dat het moeilijk zou worden.

En dat klopte. Er doken zoveel herinneringen en flashbacks op. Verwachte en ook onverwachte.

Dat ene tankstation ergens bij Zwolle waar Peet altijd een beker koffie haalde en ik naar de wc ging.
Het "Goedemorgen meneer Van Leusden." met die heerlijke Friese tongval als we op de haven incheckten. We hadden er al kilometers van tevoren lol om en probeerden het dan zo na te doen.
Peter die tijdens de overtocht op het dek naar de zee en de naderende haven staarde.
Peter die halverwege het ontbijt glaasjes verse sap voor zichzelf en mij haalde.
Het "Wat zullen we vandaag gaan doen? Waar heb jij zin in?" tijdens dat ontbijt.
Zijn intens genietende gezicht tegenover mij aan tafel.
Samen op het strand, samen op een terrasje, samen een ijsje eten, samen slenteren door het dorpje, wandelen door de duinen.
Samen, samen, samen...

Het waren beelden die pijn deden maar die ik vanwege het mooie en dierbare ervan niet wilde wegdrukken. Ik heb ze toegelaten met een drukkend gevoel op mijn borst en vaak ook met tranen over mijn wangen.
Ik heb zoveel tegen Peter gepraat tijdens die Amelanddagen, meer nog dan anders. En dan hoorde ik zijn stem en zag ik hem voor mij. 
Ik zag hem uitkijkend over de haven toen ik in mijn eentje tussen al die andere passagiers op het dek van de boot stond. 
Ik hoorde zijn "Waar zullen we straks naar toe?" nadat ik zelf dat glaasje sap had gehaald.
Ik hoorde zijn "This is the good life, Sylvietje" toen ik op het strand lag, op een terrasje zat, een ijsje at, het drankje bestelde dat we altijd namen op de eerste dag.
Ik zag hem op die lege stoel voor mij in het restaurantje waar ik, na lang aarzelen en heel veel moed verzamelen, toch een tafel voor één had gereserveerd. Ik heb daar mijn glas wijn opgepakt en met even gesloten ogen op hem, op ons, geproost.
Toen voelde ik hem tevreden en trots knikken. De neiging om op dat moment over de tafel te reiken en zijn hand te pakken was bijna onbedwingbaar.

Zoals gezegd had ik me mentaal op veel voorbereid maar waar ik van tevoren geen enkel beeld bij had was het uitstrooien van Peets as. Ik kwam tot "aan de kust, in de branding" en ik wist op welke dag ik het zou doen maar verder reikte mijn fantasie niet. De dag ervoor probeerde ik het voor mij te zien: ik tot mijn kuiten in de zee, de tas met as in mijn handen en dan...? Hoe moest ik dan voorkomen dat de wind alles het strand op zou waaien? Zou ik dan niet vooral met het praktische bezig zijn ten koste van het emotionele?
Toen, schijnbaar uit het niets, wist ik hoe ik het zou doen. Ik moest er alleen nog een schepje voor kopen.

Op de uitgekozen dag heb ik een stil stukje strand opgezocht en heb ik op de vloedlijn de contouren van een hart gegraven. In het midden van het hart legde ik in een kuiltje drie duinroosjes, voor elk van onze jongens en mijzelf, en in de uitgegraven lijnen schepte ik Peets as.
Daarna ben ik ernaast in het zand gaan zitten en heb ik stil toegekeken hoe langzaam de golven het strand op rolden en het water het hart instroomde om vervolgens zijn as mee de zee in te nemen.
Het was zo mooi, zo vredig. Zo rustig met alleen het geluid van de golven. 
Ameland was vertrouwd en vreemd tegelijk, alsof alles in spiegelbeeld was: herkenbaar en ook weer net niet. Maar dat moment zo alleen op het strand met dat wegspoelende hart voor mij was Ameland vooral mooi. Heel mooi.

Ik heb me die dagen daar heel verdrietig en zonder mijn Peetje gevoeld maar er waren ook veel momenten waarop ik kon genieten. Dan leunde ik rustig achterover in een loungebank op een terrasje, liep ik door de duinen, lag ik in de zon op mijn badlaken op het strand starend naar de wolken. Dan voelde ik ontspanning en rust over mij heen komen.
"This is bijna the good life, Peetje, bijna the good life..."

Het heeft me heel veel energie en wilskracht gekost maar dankzij Peter, niet naast mij maar stevig in mijn hart, en dankzij al die mooie herinneringen is het gelukt om van Ameland een plek te maken die nu nog specialer, nog dierbaarder is.








donderdag 25 juni 2026

Pakken voor Ameland maar dan anders


Het beslissen om naar Ameland te gaan en vervolgens om mijn verblijf en de overtocht te boeken waren ooit small steps voor Sylvie-van-"vroeger" maar nu vallen ze beslist in de categorie giant leaps. Zo'n anderhalf jaar was, leek, Ameland voor mij net zo ver als de maan.
Inmiddels heb ik dus die grote sprong genomen en hoewel ik er geen seconde spijt, zelfs amper twijfel, over had, moest ik er toch van bijkomen. Waar ik, logischerwijs, nu mee bezig ben is een andere ooit kleine stap, nu best wel grote sprong: het inpakken van mijn koffer. 

Peter had altijd inpaklijsten voor onze vakanties. Toen we nog met aanhanger en tent weggingen waren daar wel twee A4'tjes voor nodig. Later, toen we met ons tweetjes waren, was een half velletje genoeg. Toen had hij verschillende lijstjes, een voor vakantie in een huisje en eentje voor verblijf in een hotel. Hij pakte dan zijn eigen spullen in en checkte af en toe bij mij of ik ook al puntjes om af te vinken had. 

"Heb jij je iPad al?"
"Yep, en de oplader."
"Boeken?"
"Natuurlijk! Ook voor jou trouwens."
"Fijn! O, en vergeet je paspoort niet"
"Ik heb toch mijn rijbewijs, dan is een paspoort toch niet nodig, hier in Nederland?"
"Je weet maar nooit..."
"Peetje..."
"Doe nou maar, Syl."

En dan zocht ik braaf mijn paspoort op, ondanks dat elke keer weer bleek dat wij die inderdaad niet nodig hadden. (En plaagde ik hem er ook elke keer bij thuiskomst mee.)
Ondertussen pakte Peet bordjes, bestek en bekers (zodat we in onze hotelkamer ook broodjes en salades uit een supermarkt konden nuttigen) in zijn koffer die altijd minder vol was dan de mijne en deed daar ook theezakjes met mijn favoriete smaken bij. Voor onze dikke badlakens had hij ook altijd ruimte.
Ik, op mijn beurt, verstopte altijd een zakje met salmiakdropjes tussen mijn kleren om hem daarmee te "verrassen". Verrassen tussen aanhalingstekens, ja, want als je iets elke keer doet is dat geen verrassing meer te noemen maar Peet reageerde altijd alsof het dat wel was.

Al een paar dagen ben ik stukje bij beetje het een en ander op het logeerbed aan het klaarleggen. Pakken voor Ameland maar dan anders...
Ik heb geen lijstje op papier zoals Peet, maar eentje in een app op mijn telefoon. Dat die app automatisch alles op alfabetische volgorde zet waardoor "As van Peter" bovenaan staat maakt dat mijn lijst wel en ook niet helpend is. 
Ik heb mijn iPad plus oplader al bij mijn koffer gelegd. Net als wat boeken, alleen voor mij.
Ik zal één bord en één setje bestek, één (extra dunne) badlaken en een beker met theezakjes nu tussen míj́n kleren stoppen. 
Geen zakje met salmiakdropjes.

En ik neem mijn paspoort mee, ook al zal straks weer blijken dat dat niet nodig is.
Misschien doe ik dat juist daarom - zodat er dan toch iéts een beetje hetzelfde zal zijn.

Het is wat het is en ik ga er wat van maken: Ameland maar dan anders.
Peet zal daar nog dichter bij mij voelen. Daar doe ik het voor.



zondag 21 juni 2026

Alleen naar Ameland




Het was altijd ("altijd") al duidelijk voor mij dat ik naar Ameland zou gaan om daar de as van Peet uit te strooien. Het was duidelijk maar tegelijk ook iets waar ik enorm tegenop zag. Zo enorm dat ik het me niet eens voor kon stellen.
Hoe kan ik zijn as uitstrooien?
Hoe kan ik naar Ameland, het eiland waar we samen (sámen!) zo graag kwamen?
Hoe kan ik daar alleen, in mijn eentje naar toe?
Hoe kan ik daar zonder Peter naar toe?
Met zijn as?
Hoe?
Hoe dan?

"Neem de tijd. Het hoeft niet nu al. Over een jaar pas desnoods. Twee jaar. Drie jaar. Ooit... Wanneer je eraan toe bent."
Zo werd ik getroost en gerustgesteld. Zo heb ik mijzelf getroost en gerustgesteld, en zo heb ik geprobeerd er niet te veel en te vaak aan te denken. Al vroeg ik me soms wel af hoe dat zou voelen: eraan toe zijn.

Zo'n vier weken geleden kwam ik daar achter. Ik begon steeds meer te spelen met gedachten aan Ameland en hoe ik daar zou rondlopen. Ik zocht naar hotelovernachtingen en keek op diverse sites. Het ging niet altijd even goed; verschillende keren klikte ik in tranen alles weg en wilde, durfde, ik er niet meer mee bezig te zijn. Het was te groot, het was te veel, te eng, te confronterend.
Maar na een paar dagen borrelde het toch weer op en zat ik weer te google'en.

En toen hakte ik de knoop door. Toch ja. Bijna zomaar.
Ik boekte een hotel.
Ik zocht naar treinverbindingen en tijden van afvaarten en boekte gelijk de overtocht.
Ik boekte en betaalde ook meteen maar alles.
Met de zenuwen in mijn lijf maar zonder een spoor van twijfel.
Al moest ik daarna wel even een potje huilen.

Dat was dus drie weken geleden. Binnenkort vertrek ik voor vijf dagen naar ons eiland. Dat is korter dan de week die wij jaarlijks gingen maar, hopelijk, lang genoeg om me niet alleen maar verdrietig en alleen te voelen maar ook wat te "genieten. Het voert te ver om te zeggen dat ik me er op verheug maar ik zie er ook niet tegenop.
Toch namen die zenuwen (en nog wat emoties) het vanmiddag even over nadat ik mijn koffer uit de berging had gehaald en er alvast het een en ander bij wilde leggen.
Ik werd overvallen door een "ouderwetse" paniekaanval.
Mijn keel voelde dik, het knelde om mijn borst en mijn adem ging sneller dan normaal. Tranen brandden in mijn ogen maar leken er niet uit te kunnen stromen. Even snapte ik er niks van, ik kon niet denken, alleen maar voelen en wat ik voelde was paniek. Paniek en verdriet. 
Gelukkig ging dat even voorbij en kon ik weer tot mijzelf komen. Ik ben op mijn bed gaan zitten. Heb me verzet tegen de neiging om in elkaar te krimpen. Heb mezelf gedwongen om rustiger te ademen en mezelf zachtjes toegesproken:
"Het komt goed."
"Het is logisch."
"Dit gaat voorbij.
"Je kan dit.
"Dit is moeilijk maar je kan dit."
"Je kan dit want je wil dit."
En langzaam, beetje bij beetje, ebde de paniek weg.

Het zal geen gemakkelijke reis worden, verre van dat. Ik ben nog nooit langer dan een dag zonder Peter weggeweest, heb nog nooit alleen in een hotelkamer overnacht. Dat zijn dingen die ik wel kan. Denk ik, wil ik.
Maar deze eerste keer en dan zo alleen...
Met zijn as in mijn bagage in de trein in plaats van Peet neuriënd achter stuur naast mij...
Het zal moeilijk, heel moeilijk worden maar ik weet en accepteer het. Zo voelt het kennelijk: eraan toe zijn.

Ameland moet weer de fijne plek met de mooie herinneringen worden en niet de plek waar ik niet naar toe zou durven.
Ameland zal straks hopelijk nóg specialer, nóg dierbaarder worden.


 


zaterdag 13 juni 2026

Jij ontbreekt mij


Liefste Peetje,

Jij was mijn veilige plek, bij jou kon ik altijd terecht als ik het moeilijk had, het even niet meer wist. Bij jou kon ik uithuilen, van me af praten, stil zijn. Jij kon mij geruststellen, jij kon mij troosten.
Mijn verhalen kon ik altijd bij jou kwijt. De leuke dingen werden altijd nog leuker als ik ze aan jou vertelde. De vervelende minder vervelend. De moeilijke minder moeilijk omdat jij ze kon relativeren en als dat toch niet lukte, dan gingen de scherpe kanten eraf enkel al door het delen.
Bij jou was het altijd fijn thuiskomen. Jouw sleutel in het slot horen was het fijnste moment van de dag.
"Hier hoor ik," heb ik zo vaak gezegd als ik in je armen kroop en dan bromde je instemmend ergens in mijn haar. Samen waren wij heel.
Een leven zonder jou was onvoorstelbaar.

En toen moest ik aanzien hoe verbijsterd jij reageerde op die onverwachte diagnose. Hoe jij naar die arts keek en daarna meteen naar mij en je hand naar mij uitstak.
Ik moest aanzien hoeveel pijn jij had, hoe jij steeds verder weggleed. Steeds verder weg van het leven, van ons leven.
En toen moest ik beseffen dat het onvoorstelbare werkelijkheid ging worden.
Ik moest het beseffen maar ik kon het niet. Ik wilde het niet, ik kon het niet.

Dat hadden we ons nooit kunnen voorstellen, hè? Dat jouw leven, ons leven samen, op die manier en zo abrupt zou eindigen.
Dat we nooit, nooit meer samen nieuwe plannen zouden kunnen maken, dat er geen nieuwe herinneringen meer bij zouden komen, dat er geen reactie meer zou komen op "O, en weet je nog toen we....".
Dat ik je nu alleen nog in mijn hart kan dragen in plaats van dat je naast mij staat.
Dat ik jouw stem, jouw lach alleen nog kan voelen en niet meer kan horen.
Hoe hadden we ons ooit kunnen voorstellen dat ik mijn vingers over jouw foto zou laten gaan omdat ik zo, zo graag de stoppels op jouw wangen en je zachte haar wil voelen maar alleen het glas voel. Glas en verdriet, heel veel verdriet.
Hoe hadden we ons dat onvoorstelbare ooit kunnen voorstellen?

Ik mis je.
Ik mis je, ik mis je.

Ik heb het ontelbare keren gezegd, hardop en onhoorbaar. Ik heb het zo vaak geschreven. En ik zal dat blijven doen.
Maar het is meer dan missen alleen. In het Frans en het Duits klopt het zoveel beter: tu me manques, du fehlst mir. Jij ontbreekt mij. Ik ben niet meer heel.
Nu moet ik uitvinden wie ik ben, hoe ik kan zijn zonder jou naast mij. Nu moet ik in mijn eentje heel worden. In mijn eentje, zonder jou. Niet wéér heel maar ánders heel, zo goed als heel. 
Zo goed als, want jij zal mij altijd ontbreken.

Jij ontbreekt mij, Peetje.
Elk moment van de dag.
Vandaag al anderhalf jaar.
Jij ontbreekt mij zo.



zondag 31 mei 2026

Wat lichter


Doof de sterren, ik hoef ze niet meer
Ontmantel de zon en haal de maan neer
Spoel de zee weg en gooi het bos plat
Want dit wordt toch helemaal nooit meer wat

Deze tekst las ik op het voorblad van een boek, de titel weet ik niet meer, ik heb het uiteindelijk niet uitgelezen. Het is een stukje uit het gedicht Begrafenisblues, van W.H. Auden. Er is lang een tijd geweest dat ik me er helemaal in kon vinden. En hoewel de glans er wel af is, en ook zal blijven, is het stukje bij beetje wat lichter om en in mij aan het worden.
De wanhoop en paniek zijn steeds meer naar de achtergrond aan het glijden.
Ik begin iets van grip te krijgen.
Ik durf weer dingen aan. Nieuwe dingen en ook, en die zijn vaak nog de moeilijkste, oude dingen. Oude dingen die wij altijd samen deden.

Dit is bepaald niet vanzelf gegaan, het was echt geen kwestie van enkel "de tijd die erover heen moest gaan". Ik heb er veel steun bij gehad (en nog). Lieve steun, praktische steun en ook professionele steun. Professionele steun in (o.a.) de vorm van traumatherapie en EMDR.
Dat was heel zwaar. Het voelde als het beest, mijn trauma's, in de bek kijken en ik kwam elke keer gesloopt en gemangeld van die sessies thuis.
Maar ik vond dat ik er doorheen moest, er dwars doorheen. De vreselijke gebeurtenissen die zo traumatisch waren dat zij mijn rouw blokkeerden moesten niet alleen maar vreselijk en traumatisch zijn. Zij horen bij wat er gebeurd is maar mogen niet meer zoveel angst en paniek oproepen dat ik niet bij de mooie herinneringen kan komen. Het heeft me heel veel gekost, alles wat ik in mij aan doorzettingsvermogen had. Doorzettingsvermogen en ook vertrouwen. Vertrouwen in mijn psycholoog en in mijn veerkracht. 
Ik ben elke keer heel bewust niet met de auto maar op de fiets naar therapie gegaan; het leek me niet verantwoord om met een tollend hoofd achter het stuur te zitten. Vaak liep ik na afloop naast mijn fiets om bij te komen terwijl de tranen over mijn wangen stroomden en heel vaak kon ik daarna bij mijn zusje terecht. Zij stond dan klaar met een knuffel, een kop thee en troostende soep.

Hoewel het lichter om mij heen aan het worden is, besef ik dat ik er nog lang niet ben. Al vraag ik me tegelijk af waar "er" is. Mijn verdriet, mijn missen van Peter, van alles wat we niet meer samen kunnen doen en delen, van onze toekomst samen - dat zal nooit over gaan. Dat zal altijd pijn blijven doen. Er zullen altijd momenten, dagen zijn waarop alles om mij heen somber voelt. Maar ik heb het geaccepteerd. Niet mijn verlies maar het feit dat mijn rouw altijd zal blijven en dat pijn erbij hoort. Het is de prijs voor het ongelooflijk mooie dat ik samen met Peet gehad heb. 

Heel lang kromp ik bijna in elkaar als mensen zeiden mij sterk en dapper te vinden. Sterk en dapper klopten totaal niet bij hoe ik mij voelde. Ik was niet sterk en dapper - ik was aan het overleven en ik vond dat ik geen keus had.
Nu besef ik dat ik wél keuzes had; ik had ook niks kunnen doen, ik had in bed kunnen blijven met mijn dekbed over mij heen getrokken. Ik had ook niet willen verhuizen en ik had ook kunnen zeggen dat ik (nog) geen psycholoog en traumatherapie wilde. Ik had ook voor niet-leven kunnen kiezen in plaats van óverleven. Maar ik koos anders.
Ik was aan het overleven, ja, en dat was dapper, toch. Want dapper-zijn is, zoals wij met name onze jongste altijd voorhielden, niet dat je alles durft maar dat je dat wat je eng vindt tóch doet. En god, wat waren (en zijn nog) er veel "enge" dingen! 

Sterk en dapper... toch ja.
Peter zou "Dat heb ik toch altijd gezegd, geloof je het nou een keer?" zeggen, hij zou mij vasthouden en kussen. 
In mijn hart en hoofd hoor ik nu zijn stem en voel ik zijn kus. 

De glans is eraf maar het is wat lichter aan het worden.







zondag 17 mei 2026

Vertrouwde aanrakingen


Liefste Peetje van mij,

Gisteren stond ik in een rij achter een man met jouw lengte en jouw postuur. Ik was wat moe en in mijzelf gekeerd en de kleur van zijn trui leek erg op die van een van jouw lievelingsvesten. Waarschijnlijk was het daarom dat ik opeens de bijna onbedwingbare neiging had om mijn gezicht tegen zijn rug aan te drukken. Bijna had ik, zoals ik ooit zo vaak deed, even tegen jou, tegen hem nu dus, aangeleund.
Bijna! Pfff, want stel je voor! De geur van zijn aftershave of deodorant was gelukkig zo doordringend en ook zo totaal vreemd, dat ik bijtijds tot zinnen kwam.

Van de vele, vele dingen die ik van jou mis is dat er een van. Een heel belangrijke. Even dat aanraken, even tegen elkaar aanleunen, jouw hand door mijn haren, mijn hand om jouw pols. 's Ochtendsvroeg tegen jou aan draaien en dat jij dan nog half in slaap, bijna gedachteloos, je arm om mij heen slaat. Heel gewone, heel vertrouwde gebaren. Mijn gezicht tegen jouw borst, jouw kin op mijn hoofd.
"Wat ruik je toch lekker."
"Ik houd van jou, Sylfje."

In coronatijd was er de term "huidhonger". Ik begreep wat ermee bedoeld werd maar vond het wat plat klinken, wat klinisch en kaal voor iets wat heel menselijk en liefdevol is.
Bij wat ik nu ook zo erg mis horen zachtere, mooiere woorden. Als er al woorden voor zijn - als die de lading al kunnen dekken.
Ik mis ons vanzelfsprekende aanraken van elkaar. Thuis, tijdens een wandeling, aan een tafeltje in een restaurantje, in een rij voor een kassa. Soms maar heel even maar altijd o zo vertrouwd. 
Ik mis de liefde en tederheid die ik, die wij beiden daarbij voelden. Onze verbondenheid.

Het is geen honger. Het is veel meer dan alleen een lichamelijke behoefte. 
Het is het zo erg missen van jou, jouw liefde, jouw nabijheid, van mijn hoofd tegen jouw lievelingsvest, jouw geur in mijn neus.

"Wat ruik je toch lekker."
"Ik houd van jou, Sylfje."

En ik van jou, Peetje. Ik van jou.





zaterdag 18 april 2026

"Onder de schedel"

Achter in onze tuin hadden we een tuinhuisje. Het was een bouwpakket en Peet had het zelf in elkaar gezet. Omdat wij er graag een soort veranda bij wilden, had hij het dak verlengd en er een terrasje bij gemaakt met een kleine balustrade. Zo konden wij er niet alleen gezellig maar ook droog zitten. Het was groot genoeg voor twee stoelen en een tafeltje.

We hebben er heel vaak gezeten. In de lente zodra het ook maar even kon, desnoods met een dik vest aan. In de zomer natuurlijk maar ook in de herfst, zelfs als het al bijna te fris werd.
We hebben er ontelbare kopjes koffie en thee gedronken, met een glas wijn de dag afgesloten, het weekend gevierd.
Ik heb daar vele boeken uitgelezen, Peter heeft daar middagdutjes gedaan, we hebben er gegeten, spelletjes gedaan. We hebben er stil genoten van de fluitende vogels en we hebben er vakanties besproken, andere plannen gemaakt, nagenoten van een dagje uit.

Het huisje deed ons altijd denken aan de vakantiehuisjes op de campings in Zweden, waar we met onze tent stonden. Er zou eigenlijk een gewei boven de deuren moeten hangen, vonden we. Een elandengewei. Dat bleef een grap totdat we in een natuurcentrum een schedel vonden die goed genoeg op een gewei leek, ook al was het een kleintje. We kochten het, Peter hing het op en vanaf toen noemden we die plek "Onder de schedel". Het was met een knipoog naar de schoolkroeg waar onze verkering begon en die "Onder de toren" heette.
"Waar wil je zitten? Binnen? Buiten? In de voortuin, het dakterras of Onder de schedel?"
Meestal werd het onder die schedel, dat schedeltje.
Het staat me nog zo goed bij: hoe Peter dan met kopjes koffie of glazen wijn over het tuinpad naar het tafeltje liep, hoe ik er met een schaaltje lekkers achteraan kwam. Even een groet naar de buren, het geschraap van onze stoelen voor een nog betere plek in de schaduw of juist de zon. En dan lekker onderuit.

Ik heb dat schedeltje meegenomen. Hij hangt nu op mijn terras. Niet boven een deur maar boven het kastje dat ooit ook in onze tuin stond. Ik kan het zien vanuit mijn woonkamer als ik op de stoel bij het raam zit en ik kan het zien vanaf mijn plekje op de bank op het terras. En dan kan ik niet anders dan terugdenken aan die plek, aan onze plek bij dat huisje.
Die plek waar we samen zo van genoten hebben. 
De plek waarvan ik nooit had gedacht dat het een herinnering zou worden. Niet nu al en zeker niet voor mij alleen.
Een bitterzoete herinnering. Eentje die schrijnt en troost tegelijk.


maandag 30 maart 2026

Het meest

Allerliefste Peetje,

Ik herinner me nog zo goed de eerste keer dat je tegen mij zei dat je van mij hield. "Ik houd van aardbeien met slagroom en van jou," zei je. Het was zo lief. Ik maakte er nog een grap van: "Was jij niet allergisch voor aardbeien?" maar ik zag aan jouw ogen dat je het echt meende. Zo lief.
Daarna werd het "Ik houd van jou", zonder de aardbeien erbij, en niet veel later "Ik houd het meest van jou". In het begin begreep ik je verkeerd, ik dacht dat je bedoelde dat je vond dat je meer van mij hield dan ik van jou en dan sprak ik je tegen. Maar het was jouw manier om te zeggen dat je heel veel, bijna niet te bevatten zo veel, van mij hield.

Toen ik je het gedicht "Voor een dag van morgen" van Hans Andreus liet lezen was je stil. Weet je het nog? Je las het over en over.

Voor een dag van morgen 
Wanneer ik morgen doodga,
vertel dan aan de bomen
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan de wind,
die in de bomen klimt
of uit de takken valt,
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan een kind
dat jong genoeg is om het te begrijpen.
Vertel het aan een dier,
misschien alleen door het aan te kijken.
Vertel het aan de huizen van steen,
vertel het aan de stad
hoe lief ik je had.

Maar zeg het aan geen mens,
ze zouden je niet geloven.
Ze zouden niet willen geloven dat
alleen maar een man
alleen maar een vrouw
dat een mens een mens zo liefhad
als ik jou.

"Zo is het precies," knikte je. "Dit moet op de kaart."
"Wat voor kaart?"
"De kaart, als ik dood ben."
"Peter!"
"Maar het klopt zo mooi."
"Ten eerste ga jij niet dood, niet eerder dan ik. En ten tweede lijkt het net alsof jij denkt dat anderen nooit zoveel van elkaar kunnen houden en..."
"Nou ja... Oké. Maar het is wel precies zo. Ik houd het meest van jou."

Ik heb het gedicht niet op jouw kaart gezet, Peetje. Ik heb het ook niet voorgelezen bij jouw afscheid. Dat kon ik echt niet aan.
Ik heb het laatst wel laten printen en in een lijstje gedaan. Het staat nu naast de foto van ons samen.
Als ik verdrietig ben, lees ik die woorden weer.
Als ik me alleen voel, lees ik het.
Dan doe ik mijn ogen dicht, zie jouw lieve blik voor me en hoor ik "Ik houd het meest van jou".

En ik van jou, liefsteling. Ik houd ook het meest van jou.
Elke dag.
Elke morgen, alle dagen na morgen.






donderdag 5 maart 2026

Plek


Toen ik onlangs het bericht kreeg dat het kleed dat ik voor bij de zithoek had besteld eindelijk af te halen was, besloot ik de dag ervoor om de opstelling van de hoekbank te veranderen. Bij het verhuizen had ik de zitelementen op een andere manier neergezet dan in het oude huis, dat leek mij beter qua ruimte en bovendien zou het zo er wat minder als een kopie van onze vertrouwde woonkamer uitzien. Mijn vaste hoekje in de bank voelde daardoor anders, wat vreemd, maar alles was immers anders en vreemd.

Die dag heb ik toch geschoven, opstellingen uitgeprobeerd, weer geschoven en uiteindelijk stond de bank toch precies als toen. Op de oude manier en niet meer gespiegeld. Het bleek toch te passen en het uitzicht naar buiten was zo veel beter. Toen de volgende dag het kleed erbij lag, klopte het plaatje. In ieder geval wat de inrichting betreft.
Die avond kroop ik op de bank in mijn vaste hoekje, ik keek naar links waar nu niet meer het raam te zien was maar de rest van de bank en ik begon zomaar te huilen, vreselijk te huilen. Op die plek links van mij had altijd Peter gezeten. Die plek voelde nu zo, zo extra leeg.

Er wordt over rouw vaak gezegd dat het een plek moet krijgen. Het zal dan vast als een soort troost bedoeld zijn maar het heeft mij nooit getroost, ik heb het zelfs nooit echt begrepen. Als ik in huis iets een plek geef is het opgeruimd, hoef ik er niet meer naar om te kijken. En als ik op het op een mooie plek zet, is het iets waar ik op een gegeven moment aan wen, iets wat ik bijna niet meer zie. Dat klopt totaal niet met wat rouw is. Wat mijn rouw is.
Mijn ervaring is dat je aan rouw geen plek kan geven maar dat rouw zélf een plek geeft. Een totaal andere plek, eentje die je nooit had willen hebben. Een plek die vreemd en onwerkelijk is maar waar je toch je weg in zal moeten vinden. Die je je eigen moet maken. Tegen wil en dank. Met vallen en weer opkrabbelen. 

Peter en ik hadden als vaste gewoonte dat ik altijd rechts van hem zat, stond, lag, liep. Als dat een keer even anders was, als ik toevallig aan zijn andere kant liep klopte dat niet. "Hee, een vreemde vrouw," lachte hij dan en dan schoven wij terug naar wij hoorden.
Zijn rechterarm om mijn schouders, mijn linkerhand om zijn pols.
Ik leunend tegen hem aan, zijn kin op mijn hoofd, altijd aan zijn rechterkant, mijn linkerkant.
Wakker worden en links van mij zijn gezicht zien, altijd links, altijd op die vaste plek.
Altijd.
Tot het moment dat er geen altijd meer was.

De plek links van mij op de bank zal nooit meer door hem gevuld worden.
Mijn plek rechts van hem bestaat niet meer.
Ik heb een andere plek, eentje die nog steeds vreemd en onwerkelijk voelt, eentje die ik nooit had willen hebben maar die ik mij eigen moet maken.
Ook in dat hoekje op onze bank.



dinsdag 20 januari 2026

Vandaag


Ik kijk elke dag wel op de tab herinneringen van Facebook. Wat heb ik vorig jaar, het jaar daarvoor of nog langer geleden op deze dag gepost?
Het eerste wat ik tegenkwam was een berichtje van Peter waarin hij mij had genoemd waardoor het ook op mijn tijdlijn te zien was. Het was een berichtje van twee jaar geleden en hij vertelde daarin dat onze gedachten die dag vooral bij onze jongste zoon Max waren. Hij zou die dag 37 jaar zijn geworden.
Het was een berichtje van twee jaar geleden. Het raakte me toen en het raakt me vandaag extra. Het was de laatste keer dat we die dag samen konden beleven. De laatste keer dat we elkaar nog steviger dan op andere dagen troostend konden vasthouden. We wisten het niet. Ik wist het niet. Ik wist het gelukkig niet.
Vandaag is het de tweede geboortedag van onze jongste die ik zonder Peet gedenk. De tweede geboortedag waarop ik zelf mijn tranen moet drogen, niet weg kan kruipen in Peets armen. Op mijn beurt hem niet kan troosten.

Op een van de andere geboortedagen van Max, een aantal jaren eerder, had ik een quote gepost. Het was een quote over verdriet, over rouw. Er stond in dat rouw nooit over zal gaan, dat je nooit "over" het verlies van een zo dierbare heen zult komen. Je zal "helen", je zal je leven opbouwen rond het gemis, je zal jezelf weer worden maar je zal tegelijk nooit meer dezelfde worden die je ooit was. 
Het is geen opbeurende beschrijving van rouw maar het is zo waar, zo raak en herkenbaar dat het op een bepaalde manier toch ook troostend is.
 
Vond ik toen.

Nu lees ik het anders. Nu schuren die woorden, nu zijn nog steeds waar en raak en herkenbaar maar nu troosten ze mij niet. Nu is Peter er immers niet om naast mij te staan terwijl ik zo verdrietig ben. Onze rouw om Max is met de jaren inderdaad milder geworden, we hebben ons leven rond ons gemis kunnen opbouwen maar dat was wel samen.
Toen we nog wij waren.
Toen Peter er nog was.
Toen ik dit verdriet, deze rouw om Peter nog niet had.
Nu lees ik het anders. Nu is alles anders.

Vandaag zijn mijn gedachten nog meer dan op andere dagen bij Max en Peter. 
Paul appte vanochtend dat hij hoopte dat ze deze dag samen "ergens" aan het vieren zijn. Ik vind dat een mooie gedachte, een die de verdrietige wat verzacht.
Meer dan de woorden uit die quote dat doen.



Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...