Toen ik onlangs het bericht kreeg dat het kleed dat ik voor bij de zithoek had besteld eindelijk af te halen was, besloot ik de dag ervoor om de opstelling van de hoekbank te veranderen. Bij het verhuizen had ik de zitelementen op een andere manier neergezet dan in het oude huis, dat leek mij beter qua ruimte en bovendien zou het zo er wat minder als een kopie van onze vertrouwde woonkamer uitzien. Mijn vaste hoekje in de bank voelde daardoor anders, wat vreemd, maar alles was immers anders en vreemd.
Die dag heb ik toch geschoven, opstellingen uitgeprobeerd, weer geschoven en uiteindelijk stond de bank toch precies als toen. Op de oude manier en niet meer gespiegeld. Het bleek toch te passen en het uitzicht naar buiten was zo veel beter. Toen de volgende dag het kleed erbij lag, klopte het plaatje. In ieder geval wat de inrichting betreft.
Die avond kroop ik op de bank in mijn vaste hoekje, ik keek naar links waar nu niet meer het raam te zien was maar de rest van de bank en ik begon zomaar te huilen, vreselijk te huilen. Op die plek links van mij had altijd Peter gezeten. Die plek voelde nu zo, zo extra leeg.
Er wordt over rouw vaak gezegd dat het een plek moet krijgen. Het zal dan vast als een soort troost bedoeld zijn maar het heeft mij nooit getroost, ik heb het zelfs nooit echt begrepen. Als ik in huis iets een plek geef is het opgeruimd, hoef ik er niet meer naar om te kijken. En als ik op het op een mooie plek zet, is het iets waar ik op een gegeven moment aan wen, iets wat ik bijna niet meer zie. Dat klopt totaal niet met wat rouw is. Wat mijn rouw is.
Mijn ervaring is dat je aan rouw geen plek kan geven maar dat rouw zélf een plek geeft. Een totaal andere plek, eentje die je nooit had willen hebben. Een plek die vreemd en onwerkelijk is maar waar je toch je weg in zal moeten vinden. Die je je eigen moet maken. Tegen wil en dank. Met vallen en weer opkrabbelen.
Peter en ik hadden als vaste gewoonte dat ik altijd rechts van hem zat, stond, lag, liep. Als dat een keer even anders was, als ik toevallig aan zijn andere kant liep klopte dat niet. "Hee, een vreemde vrouw," lachte hij dan en dan schoven wij terug naar wij hoorden.
Zijn rechterarm om mijn schouders, mijn linkerhand om zijn pols.
Ik leunend tegen hem aan, zijn kin op mijn hoofd, altijd aan zijn rechterkant, mijn linkerkant.
Wakker worden en links van mij zijn gezicht zien, altijd links, altijd op die vaste plek.
Altijd.
Tot het moment dat er geen altijd meer was.
De plek links van mij op de bank zal nooit meer door hem gevuld worden.
Mijn plek rechts van hem bestaat niet meer.
Ik heb een andere plek, eentje die nog steeds vreemd en onwerkelijk voelt, eentje die ik nooit had willen hebben maar die ik mij eigen moet maken.
Ook in dat hoekje op onze bank.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten