Mantelzorgers, dat waren
anderen. Ik kende er wel een paar in mijn directe omgeving en een eindje daarbuiten, maar dat waren anderen, niet mijn zusjes en ik. Wij gingen gewoon regelmatig naar onze moeder, hielpen haar met de boodschappen en de administratie, en namen ook wel een maaltijd voor haar mee.
Mantelzorgers, die doen zulke dingen veel vaker dan “regelmatig” en veel vaker zelfs dan wekelijks. Die
zorgen echt. Terwijl wij, wij deden de dingen wanneer ze nodig waren en dat dat steeds vaker voorkwam... ach.
Onze bezoekjes aan onze moeder waren nog lang bezoekjes en niet stilletjes (ook/vooral) controles of het nog wel goed ging. Zo vaak belde ze nou ook weer niet op als ze het of iets “even” kwijt was. En die keren dat ze half in paniek ’s nachts belde, was ze ook weer snel gerust te stellen. Terwijl mantelzorgers...
Mantelzorgers, zo wist ik uit verhalen, zijn bijna
constant bezig met degene voor wie zij zorgen. Soms nog vaker in hun hoofd dan met hun handen. Soms zelfs terwijl ze amper nog kunnen slapen van vermoeidheid en/of bezorgdheid en/of schuldgevoelens (meestal meer “en” dan “of”) en iedereen om hen heen zegt dat ze het toch kalmer aan moeten doen maar er niet bij vertelt hoe dat dan moet. Mantelzorgers, dat waren anderen.
Aanvankelijk langzaam maar zeker, maar sinds de diagnose Alzheimer als via een fikse ram op een grote rode knop, zijn mijn zusjes en ik ook mantelzorgers. Dit is een eenvoudig zinnetje met een hele wereld erachter. Een wereld waar ik nog wel vaker over zal vertellen omdat ik denk, weet, dat meer mantelzorgende lezers het zullen herkennen en omdat herkenning helpt. En omdat het
mij helpt als ik het van me af schrijf want het valt me niet mee. Net als mijn zusjes doe ik het met hart en ziel maar het valt me niet altijd mee, dat verzorgen, opletten, regelen, elke keer weer uitleggen, schipperen met de tijd en schipperen met het gevoel ondanks alles net tekort te schieten. Oftewel, in één woord: dat mantelzorgen.